Valse sentimenten over windenergie

Minister Cramer plaatst zich in Bodegraven in positie van afketsen zonder alternatief.
25 februari 2008 | Het Financieele Dagblad
Door: Riek Bakker

Nederland, wereldberoemd om zijn prachtige windmolens, heeft grote moeite met de plaatsing van de moderne opvolgers ervan, de windturbines. De inpassing in het landschap zou lelijk zijn. De witte ‘cleane’ pilaren in rij(en) worden ervaren als een verstoring van ons zo vertrouwde reliëfloze platteland en, in het water, als horizonvervuiling. Het monotoon wiekende geluid zou irritant zijn – ach, noem al die argumenten tégen maar op.
Het subjectieve wordt collectief gemaakt. In de discussie die hierover is losgebarsten, lijken we langzamerhand muurvast te draaien.

Onlangs ben ik gevraagd door minister Jacqueline Cramer van Ruimtelijke Ordening én Milieu om te helpen deze windmolens figuurlijk gesproken in de grond en het water te zetten. Zij heeft met minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken een contract gesloten om uiterlijk in 2012 jaarlijks 20 procent windenergie te realiseren.
Dat is een mooi streven, want de voordelen zijn evident: de energie die uit wind wordt gewonnen, is schoon en maakt ons minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en het daarmee gepaard gaande nadeel van vervuiling en CO2-uitstoot.
Cramer weet dat ze haar afspraak niet gaat redden met de lopende projecten alleen. Er moeten nieuwe molens worden aangemaakt. De nieuwe generatie windturbines is groter en werkt efficiënter. Ook staan de molens op grotere afstand van elkaar.

Vorige week was ik diep geschokt over hoe die weerstand tegen de komst van molens bij gemeenten nu werkt. Cramer was op bezoek in Bodegraven om te bekijken hoe de gemeente hier worstelt met het plan om vier molens te plaatsen. De tegenstand kwam neer op ‘als die dingen er komen, hebben we vanaf de snelweg bekeken niet meer een mooi doorkijkje op het Groene Hart’. Let wel: vanaf de snelweg.
Mijn haren stonden bij al het gemorrel binnen deze thematiek al rechtovereind, maar ze rezen nog hoger toen ik hoorde hoe dit afliep. De minister wees het plan tijdens haar bezoek af zónder andere opties te stellen. Daarmee plaatst ze zich in een positie van afketsen zonder alternatief.

Als verantwoordelijke minister laat ze zich hiermee in de fuik zetten. Dit schept een precedent voor al die andere gemeenten om hun lokale weerstand om te zetten in een makkelijk afschieten. Ieder kan met het subjectieve begrip ‘lelijk’ vrij makkelijk wegkomen zonder het algemeen belang te dienen. Dat een gemeente er zelf baat bij heeft om duurzame energie te kunnen winnen, wordt voor het gemak opzijgeschoven.

Als ik voor dit vraagstuk bij gemeenten op bezoek ben en met verschillende partijen praat, vraag ik altijd: ‘Wat vind je nu het belangrijkste, maak eens een topdrie, wil je het landschap helemaal “heel” laten of wil je goede, milieusparende energie regelen?’ Het antwoord ‘én én’ kan niet. Bovenal is duurzame energie goed voor het milieu, en dus op lange termijn voor het landschap.

Om haar 20 procent te halen heeft Cramer tegen de provincies gezegd dat ze het in hun gemeenten voor elkaar moeten krijgen om de nieuwe molens aan de man te brengen. De minister helpt echter de provincies niet in dit moeizame onderhandelingsproces als ze zelf de aversie van een gemeente zo meegaand honoreert.

Van die tegenstand snap ik echt niets. Het is niet rationeel, maar getuigt van sentimenten over een oud-Hollands landschap waar ouderwets draaiende molens in passen. Bij dat beeld hoort dan in deze tijd trouwens ook ijspret met koek en zopie. Maar ja, met de opwarming van de aarde zal dat niet – meer – tot de mogelijkheden behoren. Dus: kiezen